Een vaste koers

Leden- en toelatingsbeleid

Inleiding
Sinds de oprichting van de ChristenUnie is er sprake van drie vormen van toelatingsbeleid binnen één politieke formatie. Naast de toelating van leden van GPV en RPF werd een derde vorm geïntroduceerd: de sympathisant van de ChristenUnie. In maart 2001 werd besloten deze vorm om te zetten in een lokaal lidmaatschap van de ChristenUnie.
Om het gemeenschappelijke uitgangspunt van de ChristenUnie hecht te verankeren werd een unieverklaring en uniefundering opgesteld, waarin het confessionele karakter van de politiek van de ChristenUnie werd vastgelegd. Bepaald werd dat zowel politici als bestuursleden binnen de ChristenUnie verklaring en fundering dienen te onderschrijven. Ook van de sympathisant werd gevraagd met verklaring en fundering in te stemmen, wat sinds maart 2001 van toepassing is op lokale leden van de ChristenUnie.

De toepassing van dit beleid roept zowel lokaal als landelijk vragen op met betrekking tot de werving en de afstemming van procedures met betrekking tot de toelating van leden. Ook zijn er vragen over de aard van de binding van ChristenUnie-politici en bestuursleden aan de Drie Formulieren van Eenheid, die genoemd worden in de fundering.

Deze notitie voorziet in de beantwoording van deze vragen. Eerst wordt het toelatingsbeleid en de uitvoeringspraktijk in de beide partijen voor en na de komst van de ChristenUnie uiteengezet. Daarna worden voorstellen gedaan voor de vormgeving van het beleid van toelating van lokale ChristenUnie-leden en de afstemming van deze procedures op die van RPF en GPV. Tenslotte wordt een regeling voor de binding van politici en bestuursleden aan verklaring en fundering getroffen.

Toelatingsbeleid RPF en GPV
Bij de totstandkoming van de ChristenUnie is het onderscheiden ledenbeleid van RPF en GPV één van de redenen geweest om te kiezen voor de rechtsvorm van een unie. Vanuit beide partijen werd namelijk ruimte gevraagd om zelf vorm te kunnen blijven geven aan het toelatingsbeleid. Daarvoor kunnen twee motieven worden aangevoerd, namelijk verschillen tussen de grondslagen als basis van het toelatingsbeleid en de autonomie van de plaatselijke kiesverenigingen met betrekking tot de toepassing van dat beleid.

Voor de RPF geldt dat van nieuwe leden instemming met de grondslag wordt gevraagd. Daarvoor worden geen (landelijk) vastgestelde verklaringen gevraagd. Iedereen die zich landelijk aanmeldt, ontvangt bericht dat hij/zij voorlopig is toegelaten, dat de plaatselijke kiesvereniging wordt geïnformeerd en deze over de toelating beslist en tenslotte dat verdere informatie over financiën van die kiesvereniging wordt ontvangen.
In de praktijk levert deze procedure slechts zelden op dat een lid niet wordt toegelaten. Dat blijft beperkt tot personen waarvan het evident is dat zij niet kunnen instemmen met de grondslag omdat zij geen protestants-christelijke levensovertuiging zijn toegedaan. Overigens is over de feitelijke gang van zaken op lokaal niveau vrijwel geen informatie. Dat is niet alleen afhankelijk van de plaatselijke gebruiken, maar ook veelal van de aanwezigheid van een al dan niet actieve kiesvereniging en bestuur.

Voor het GPV geldt ook dat van nieuwe leden instemming van de grondslag wordt gevraagd. De partij kent geen landelijke aanmelding. Personen die zich landelijk meldden als lid werden tot 2000 doorverwezen naar de plaatselijke vereniging. Tot 1992 was het veelal zo dat instemming met de grondslag van het GPV werd verondersteld wanneer leden behoren tot de Geref. Kerken (vrijgemaakt). In de notitie Eenheid in Beleid werd uitgesproken dat binnen het GPV als confessioneel-gereformeerde partij ook niet-leden van de genoemde kerken welkom zijn als zij de grondslag van het GPV onderschrijven. Plaatselijke verenigingen kregen de aanbevelingen hun toelatingsbeleid hierop af te stemmen en zich bij aanmelding van leden te vergewissen van die instemming met de grondslag. De meeste plaatselijk verenigingen hebben hun plaatselijke reglement daarop aangepast. Over de praktijk van het toelatingsbeleid binnen het GPV is ook weinig bekend. Sommige verenigingen hanteren een schriftelijke verklaring van instemming met de grondslag, anderen voeren een kennismakingsgesprek met nieuwe leden, voordat over toelating wordt beslist. In de afgelopen tien jaren heeft, voor zover bekend, slechts een beperkt aantal personen van buiten de Geref. Kerken (vrijg.) zich aangemeld. Over problemen bij die toelating is weinig bekend, uitgezonderd gevallen zoals hiervoor ook bij de RPF genoemd.

De regeling van 2000
Omdat bij de oprichting van de ChristenUnie gemikt werd op een aantrekkingskracht van de nieuwe politieke formatie op nieuwe groepen kiezers, werd voor degenen die zich daarbij willen aansluiten, maar zich niet willen aanmelden als lid van één van beide partijen, de mogelijkheid van sympathisant van de ChristenUnie gecreëerd. Daarbij ging het uitdrukkelijk om een landelijke regeling: de sympathisanten worden landelijk geworven, toegelaten (na verkregen instemming met verklaring en fundering ) en de financiële bijdrage werd landelijk vastgesteld en geïnd. Wel werd een koppeling gelegd met de lokale ChristenUnie. Deze werd namelijk -via het reglement- verplicht de sympathisanten te betrekken bij het lokale politieke werk en toe te laten, met spreek- en zonder stemrecht, tot de lokale unievergadering. Ook werd landelijk bepaald dat de lokale unies 15% van de landelijk geïnde contributie zouden ontvangen.

Daarmee ontstond vanaf januari 2000 een tweedeling in de aanpak: hoewel de toelating van leden een autonome bevoegdheid van GPV en RPF is gebleven, is de werving van sympathisanten een verantwoordelijkheid van de ChristenUnie. Daarnaast kreeg de ChristenUnie de taak om zowel RPF als GPV te ondersteunen in de werving van hun leden. Dat is vanaf het voorjaar van 2000 voortvarend aangepakt. Er kwam een landelijke werving, waarbij personen de keuze kregen voorgelegd of zij lid wilden worden van GPV, RPF dan wel sympathisant van de ChristenUnie. Bij die keuze hoorde een schriftelijke verklaring van instemming met de grondslag van resp. GPV of RPF, dan wel de verklaring en fundering van de ChristenUnie. Degenen die het laatste deden werden direct landelijk ingeschreven en hun namen werden doorgegeven aan de lokale unie, c.q. één van beide plaatselijke kiesverenigingen. De aanmeldingen voor het lidmaatschap van RPF en GPV werden beantwoord met de mededeling: dank voor uw aanmelding, u hoort binnenkort meer van de plaatselijke kiesvereniging, die over toelating beslist. De totale opbrengst van deze werving stelde teleur. Niet alleen bleef het aantal sympathisanten achter bij de verwachtingen, vooral de geringe aantrekkingskracht van GPV en RPF viel op.

Lokaal lidmaatschap ChristenUnie
Sinds maart 2001 kent de ChristenUnie lokale leden. Het formele lidmaatschap (RPF en GPV als de twee verenigingen die samen de ChristenUnie vormen en besturen) wordt –net als bij de personen die lid van RPF en GPV genoemd worden- onderscheiden van het materiele lidmaatschap van de ChristenUnie. Lid van de ChristenUnie zijn alle leden van RPF en GPV in die gemeente en ook degenen die lokaal lid van de ChristenUnie willen zijn. De toelatingseis is dezelfde als daarvoor was bepaald voor sympathisanten: instemming met verklaring en fundering van de ChristenUnie, maar de toelating vindt nu plaats op lokaal niveau. In het gewijzigde modelreglement is de positie van de lokale leden vastgelegd. Alle leden van RPF, GPV en de (rechtstreekse) lokale leden hebben daarmee binnen de lokale unie in beginsel dezelfde rechten en plichten gekregen. De lokale unie kan tevens het passief kiesrecht (bestuur en kandidatenlijst) toekennen.
De gevolgen voor de werving zijn dat landelijk kan worden ingezet op het lid worden van de ChristenUnie. De resultaten daarvan zijn bemoedigend. Met name de respons op advertenties in christelijke bladen (Visie) en op presentaties tijdens toogdagen laat zien dat er veel belangstelling is voor het rechtstreeks (lokaal) lidmaatschap.